DE
LEERLINGEN
De
aanmelding en opvang van nieuwe leerlingen in de school
De 4-jarige
In een persoonlijk gesprek met de directie en/of door het raadplegen van het uitgereikte informatiepakket, worden ouders
geïnformeerd over de wijze waarop inhoud gegeven wordt aan het onderwijs. Na
invulling en ondertekening van het inschrijfformulier is er sprake van
plaatsing van het kind op basisschool de Vijfhoeven. Vier weken voorafgaande
aan de 4-jarige leeftijd wordt door de groepsleerkracht, bij wie het kind
geplaatst wordt, met de ouders telefonisch of schriftelijk contact opgenomen om
de “instroommogelijkheden “ (gelegenheid om rond te kijken, kennismaking met de
leerkracht en nieuwe groepsgenoten etc.) te bespreken.
Op het moment dat het kind de school
daadwerkelijk bezoekt, ontvangen de ouders een intakeformulier (zijn er voor
school nog nieuwe, relevante gegevens beschikbaar).
De 5-jarige (en
oudere leerlingen)
In een persoonlijk gesprek met de directie en/of door het raadplegen van het uitgereikte informatiepakket, worden
ouders van kinderen die in een hogere groep geplaatst moeten worden, eveneens
geïnformeerd over de wijze waarop inhoud gegeven wordt aan het onderwijs. Na
invulling en ondertekening van het inschrijfformulier wordt, in goed overleg
met ouders en laatst bezochte school, het tijdstip van plaatsing, de
gelegenheid om rond te kijken en de kennismaking met de leerkracht en nieuwe
groepsgenoten vastgesteld.
Op het moment dat het kind de school daadwerkelijk bezoekt, ontvangen de ouders
een intakeformulier (zijn er voor school nog nieuwe, relevante gegevens
beschikbaar).
Leerlinggebonden
financiering
Ouders van kinderen met een handicap of stoornis kunnen een bewuste keus maken
voor een basisschool die het beste bij hun kind past. In principe zijn
wij bereid deze kinderen te plaatsen. In een persoonlijk gesprek met de
directie en de interne zorgadviseurs worden de mogelijkheden van een eventuele
plaatsing en begeleiding besproken. Nadere informatie is op school
verkrijgbaar.
Het volgen en
vastleggen van de ontwikkeling van de leerlingen in de school
In de groepen 1 en 2 staat de observatie centraal, waarbij leerkrachten moeten
letten op hoe de leerlingen als groep en als afzonderlijke individuen reageren
op de aangeboden speelleeractiviteit. Het observeren van de afzonderlijke
leerling heeft tot doel, na te gaan of er sprake is van vooruitgang in het
ontwikkelingsleerproces dat vervolgens geregistreerd wordt. Naast het
observeren van het speelleergedrag, wordt in leerjaar 2 (na + 10 maanden
onderwijs), door middel van twee landelijk genormeerde onderzoeken, nagegaan
hoe iedere leerling zich ontwikkeld heeft. In deze maakt de school ook gebruik
van het protocol “dyslexie”, om zo vroeg mogelijk te signaleren en te
begeleiden op zwakke gebieden (schoolbreed). De observatiegegevens worden
vastgelegd in de (groeps)registratiemap en de
onderzoekgegevens worden verwerkt in het leerlingdossier.
Zowel de observatie- als onderzoekgegevens dienen als uitgangspunt voor een
meer gedifferentieerde begeleiding, die mede gestalte krijgt door de inzet van
een onderwijsassistente.
Vanaf leerjaar 3
worden op de volgende wijze de leerresultaten geobserveerd, getoetst,
geregistreerd en gerapporteerd.
* Methodegebonden
observatiegegevens.
Door nauwkeurig te
observeren worden leerresultaten omgezet in waarderingen, vervolgens
geregistreerd en drie keer per jaar gerapporteerd. Deze wijze van registreren
en rapporteren geldt voor de volgende vak/vormingsgebieden: Nederlandse taal
(spreekvaardigheid/schrijven), methodisch schrijven, beeldende vorming,
muzikale vorming, dramatische vorming en beweging.
* Methodegebonden
toetsresultaten.
Leerstofeenheden
worden afgesloten door toetsen. De toetsresultaten worden geregistreerd en drie
keer per jaar gerapporteerd. Deze wijze van registreren en rapporteren geldt
voor de volgende vak/vormingsgebieden: Nederlandse taal (spelling, lezen,
taalbeschouwing), Engels, rekenen, aardrijkskunde, geschiedenis en natuur.
* Landelijk genormeerde
Cito-toetsresultaten.
Enige keren per jaar
worden landelijk genormeerde Cito-toetsen afgenomen. Door afname van deze
toetsen krijgen de school en ouders zicht op het prestatieniveau en de
sociaal-emotionele ontwikkeling van de leerling,
vergeleken met het prestatieniveau en de sociaal-emotionele ontwikkeling
van leerlingen van meerdere basisscholen in Nederland die in hetzelfde leerjaar
zitten. De toetsresultaten worden omgezet in een getal: de vaardigheidsscore.
De school hoopt en verwacht dat deze vaardigheidsscore voor iedere individuele
leerling steeds oploopt.
Deze
vaardigheidsscore wordt vergeleken met de landelijke standaardscore voor
niveaubepaling,
uitgedrukt in de
Romeinse cijfers (indicaties) I t/m V. De omschrijving van de betekenis van de
indicaties is als volgt:
Niveau I Goed (de 20% hoogstscorende
leerlingen).
Niveau II Ruim voldoende (de 20% boven het
landelijk gemiddelde scorende leerlingen).
Niveau III Voldoende (de 20% volgens het landelijk
gemiddelde scorende leerlingen).
Niveau IV Onvoldoende (de 20% onder het
landelijk gemiddelde scorende leerlingen).
Niveau V Zwak (de 20% laagstscorende
leerlingen).
De wijze van
registreren en rapporteren geldt voor de volgende vak/vormingsgebieden:
Nederlandse taal
(spelling, technisch en begrijpend lezen), rekenen en sociaal-emotionele
ontwikkeling.
De methodegebonden observatiegegevens en
toetsresultaten worden vastgelegd in de (groeps)registratiemap
en aan het eind van ieder schooljaar verwerkt in het leerlingdossier,
de landelijk genormeerde Cito-toetsresultaten worden opgeslagen in het
computerbestand LVS (Leerling Volg Systeem) en ook verwerkt in het leerlingdossier.
Teamleden die in de
school de vorderingen van de leerlingen doorspreken
Eén keer in de vier weken vindt er, tijdens bouwvergaderingen, overleg plaats
tussen leerkrachten (bouwgebonden) en de interne
zorgadviseurs. Daarnaast bespreekt iedere leerkracht na een (CITO)toetsperiode
de groepsleerresultaten met de interne zorgadviseurs. Tijdens beide
overlegsituaties wordt vooral aandacht gegeven aan leerlingen met zwakke of
zeer goede resultaten.
De wijze waarop het
welbevinden en de leervorderingen van de kinderen besproken wordt met
ouders
Ouders van leerlingen van de leerjaren 1
en 2 worden twee keer per jaar uitgenodigd voor een gesprek. Aan de hand van
een “praatpapier” wordt het (speel)leergedrag van de leerlingen besproken.
Ouders van leerlingen van leerjaar 3 worden eveneens twee keer per jaar
uitgenodigd voor een
gesprek. Daarnaast ontvangen zij twee
keer per jaar een schriftelijk verslag. Voorafgaande aan het eerste verslag
worden zij uitgenodigd om het verslag met de leerkracht te bespreken in een
persoonlijk gesprek, waarbij de interne zorgadviseurs aanwezig kunnen zijn.
De leerlingen van de
leerjaren 4 t/m 7 krijgen drie keer per jaar een schriftelijk verslag mee naar
huis, de leerlingen van leerjaar 8 twee keer per jaar. Na het eerste
verslag worden alle ouders uitgenodigd
om het verslag met de leerkracht te bespreken in een persoonlijk gesprek,
waarbij sprake kan zijn van de aanwezigheid van de interne zorgadviseurs. Na het tweede verslag vinden op verzoek van
ouders en/of leerkrachten gesprekken plaats. Indien daartoe aanleiding is,
worden ouders tussentijds uitgenodigd voor een gesprek. Als ouders zelf
behoefte hebben aan een gesprek, zijn zij (na een telefonische afspraak) van
harte welkom.
Speciale begeleiding
van leerlingen met specifieke behoeften
Inleiding
Iedere leerling krijgt de aandacht die
het nodig heeft. Wanneer er met leerlingen problemen zijn, moet er extra naar
gekeken worden. Van groepsleerkrachten wordt verwacht, dat zij deze problemen
weten te signaleren om deze vervolgens in te brengen in leerlingbesprekingen.
Deze leerlingbesprekingen vormen de basis voor
de speciale begeleiding van leerlingen op
groeps- en schoolniveau. Doelen van deze
speciale
begeleiding zijn:
- Bevordering van het welbevinden van de leerling.
- Aansluiten bij
zijn ontwikkeling, zowel op sociaal-emotioneel als op cognitief gebied.
Door onder meer aandacht te besteden aan sociale
vaardigheden, door aanpassing van
instructiebehoeften
en aanbieding van remediërende en /
of aanvullende leerstof wordt
hieraan “inhoud” gegeven.
Speciale begeleiding
op groeps(school)niveau
Zoals eerder is aangegeven wordt van groepsleerkrachten verwacht dat zij leer -
en gedragsproblemen weten te signaleren. Problemen kunnen gesignaleerd worden
tijdens het werk of spel in de groep, maar ook door signaleringsinstrumenten
als nadere observaties en methode - en niet methodegebonden toetsen en in
gesprekken met ouders. In leerlingbesprekingen wordt
het gesignaleerde (leer)gedrag van de leerling
besproken met collegae en de interne zorgadviseurs van de school. Er
worden ervaringen over de leerling uitgewisseld en suggesties gegeven voor
aanpak van het probleem.
Speciale
begeleiding
naar beneden: het aangeboden basis(minimum)stofprogramma kan niet of nauwelijks
gevolgd worden.
Wanneer het
besprokene aanleiding geeft tot extra begeleiding
van de leerling (het probleem is te ernstig), wordt het gesignaleerde
(leer)gedrag door observaties en/of (diagnostiserende) toetsen nader geanalyseerd en vastgelegd.
In gesprekken met collegae en ouders worden de onderzoekgegevens besproken.
Vervolgens wordt door de interne
zorgadviseurs, na overleg met de groepsleerkracht, een pedagogisch didactisch
handelings(verbeter)plan opgesteld. In eerste instantie is de groepsleerkracht
de aangewezen persoon om met het handelingsplan aan de slag te gaan,
daarin begeleid en ondersteund door de interne
zorgadviseurs. Het is ook mogelijk dat de interne zorgadviseurs (sporadisch)
bepaalde onderdelen van het handelingsplan zelf uitvoeren (kortlopende
trajecten waarbij geen sprake is van remedial
teaching), dit in nauwe samenwerking met de groepsleerkracht. Tijdens en na afloop
van de behandelingsperiode wordt nauwkeurig bekeken of er van “verbetering”
sprake is, worden vervolgafspraken gemaakt c.q. wordt met de extra begeleiding gestopt
daar het verbeterdoel bereikt is.
Is er op enig moment sprake van
“handelingsverlegenheid” (daar het beoogde verbeterdoel niet haalbaar is), dan
wordt de leerling, na besproken te zijn in de leerlingbespreking, aangemeld
voor consultatie bij een orthopedagoog van Scala. In geval van ernstige
problemen komt de leerling in aanmerking
voor een uitgebreid onderzoek, uitgevoerd door voorgaande orthopedagoog. Ouders
moeten in deze toestemming verlenen. De onderzoekresultaten worden besproken
met de groepsleerkracht, de interne zorgadviseurs en de ouders. De
onderzoekresultaten kunnen leiden tot:
- Het volgen van een
speciaal aangepast (speel)leerprogramma;
- Het volgen van een
speciaal programma waarbij jaargroepstof op onderdelen losgelaten wordt;
- Zittenblijven.
Wanneer de school niet in staat is
inhoud te geven aan de extra begeleiding die, naar aanleiding van de
onderzoekresultaten, gevraagd wordt, vindt verwijzing van de leerling naar een
vorm van speciaal basisonderwijs plaats. Door school wordt een onderwijskundig
rapport opgesteld waarin de reden van verwijzing aangegeven wordt. De P.C.L. (permanente
Commissie Leerlingenzorg) beoordeelt dit rapport. Zij heeft daarbij een
controlerende taak: Heeft de school voldoende inspanningen gedaan om de
aangemelde leerling in het basisonderwijs te behouden? Ouders ontvangen een
afschrift van het onderwijskundig rapport.
Speciale
begeleiding
naar boven: het aangeboden basisstofprogramma is niet toereikend.
Wanneer het
besprokene aanleiding geeft tot extra begeleiding van de leerling, wordt het gesignaleerde (leer)gedrag door
observaties en/of toetsen nader geanalyseerd en vastgelegd. Wanneer een
leerling op een of meerdere vakgebieden bij de methodegebonden
en de niet-methodegebonden (LVS-toetsen) steeds goede
resultaten behaalt, kan deze leerling in aanmerking komen voor verbredingsstof.
Ook signalen als snel klaar zijn met het werk, nauwelijks fouten maken,
werkhouding, afwijkend (negatief) gedrag en informatie van ouders kunnen
aanleiding zijn om over te gaan tot het aanbieden van verbredingsstof. Een
leerling die voldoet aan een of meerdere van bovenstaande criteria wordt
ingebracht in de leerlingbespreking. De aanwezige collegae beslissen vervolgens
gezamenlijk of de leerling in aanmerking komt voor verbredingsstof. Het
(leer)gedrag van de “verbreder” zal in leerlingbesprekingen regelmatig geëvalueerd worden. Wanneer
het aanbieden van verbredingsstof na verloop van tijd niet meer voldoende
uitdaging biedt (het “verbreden” niet meer werkt), kan er overgegaan worden
tot versnellen (twee leerjaren in een
schooljaar doorlopen). Of een leerling al dan niet gaat versnellen is
afhankelijk van diverse criteria . Van versnellen kan pas sprake zijn, wanneer
overleg met ouders en collegae in leerlingbesprekingen plaatsgevonden heeft.
Interne
en externe ondersteuning
De
leerlingbespreking
Een keer in de maand wonen leerkrachten van de
verschillende bouwen een bouwvergadering bij. Tijdens deze bouwvergaderingen
worden allerlei zaken van onderwijskundig-inhoudelijke en
onderwijskundig-organisatorische aard besproken. Een vast agendapunt is de
leerlingbespreking.
De
interne begeleiding
De interne zorgadviseurs coördineren alle zaken rondom de
speciale begeleiding
van leerlingen met
specifieke behoeften.
Hij/zij maakt beleid,
bespreekt leerlingen die tijdens de leerlingbespreking voor nadere behandeling
in aanmerking moeten komen, maakt nadere afspraken ten aanzien van het
opstellen van handelingsplannen, toets- en observatiegegevens op leerling-
en/of groeps- en/of schoolniveau, onderzoekt remediërende en aanvullende leer-
en hulpmiddelen op hun waarde, maakt afspraken met ouders en extern begeleiders
etc.
Consultatie
Een keer in de zes weken vindt consultatie plaats. Aan deze consultatie kunnen
leerkrachten deelnemen, die bij de leerlingbespreking leerlingen ingebracht
hebben, de interne zorgadviseurs, een orthopedagoog van Scala en
eventueel ouders. Aan de hand van observatie- en toetsgegevens worden tijdens
deze bijeenkomsten de volgende leerlingen besproken:
- leerlingen die
tijdens leerlingbesprekingen besproken zijn en voor
wie speciale aandacht gevraagd wordt (eigen leerlijnen, verbreden, versnellen
etc.);
- leerlingen waarbij
de beoogde verbeterdoelen niet behaald zijn en waarvoor nader onderzoek
gevraagd wordt;
- leerlingen die
eerder besproken zijn, ter evaluatie van de ingezette en/of afgeronde
begeleiding;
- leerlingen die in
aanmerking komen voor doorverwijzing naar een vorm van speciaal basisonderwijs;
- leerlingen die
door de orthopedagoog getest zijn ter controle;
- evaluatie van het
opgestelde handelings/begeleidingsplan.
Bovenschoolse begeleiding
De bovenschoolse begeleiding van
leerlingen met specifieke behoeften is vastgelegd in een zorgplan. Onder
bovenschoolse begeleiding wordt elke vorm van ondersteuning en begeleiding
verstaan die door de mensen van buiten de school verleend wordt en afkomstig is
uit middelen van het samenwerkingsverband
of andere overheidsdiensten die met gemeenschappelijke middelen
bekostigd worden. Daarbij kan gedacht worden aan begeleiding van leerlingen en
leerkrachten (scholing) vanuit de schoolbegeleidingsdienst, ambulante
begeleiding vanuit het speciaal onderwijs, jeugdgezondheidszorg etc.
De voorlichting en begeleiding van leerlingen naar het
voortgezet onderwijs
Als voorbereiding op
het Voortgezet Onderwijs organiseren de Heusdense
basisscholen een jaarlijks terugkerende informatieavond. Scholen voor
Voortgezet Onderwijs worden uitgenodigd om zich tijdens deze avond te
presenteren aan leerlingen en ouders van leerjaar 7 en 8. Bovendien worden door
het V.O. open avonden georganiseerd waar ouders en leerlingen welkom zijn.
Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat leerlingen van leerjaar 8, onder
schooltijd, een bezoek brengen aan een aantal scholen voor V.O. in de omgeving
van Vlijmen. Ook verkrijgt men nadere informatie ten behoeve van de schoolkeuze
middels speciale uitgaven (Kies en Naar het Voortgezet Onderwijs).
Medio december van
ieder jaar vinden de voorlopige adviesgesprekken plaats, waarbij de wensen van
leerlingen en ouders ter sprake kunnen komen, medio maart van ieder jaar ontvangen de
ouders schriftelijk het definitieve schooladvies. In een persoonlijk gesprek
kunnen ouders nadere informatie opvragen ten aanzien van het door de school
uitgebrachte advies. Na ontvangst van het schooladvies melden ouders hun kind
aan bij een school voor Voortgezet Onderwijs. Een eenmaal gemaakte keuze wordt
kenbaar gemaakt aan de directie van de basisschool.
Medio februari van ieder jaar wordt
de Cito-eindtoets (*) afgenomen. De uitslag van deze toets wordt aan de
leerlingen meegegeven. Vervolgens vindt er overleg plaats tussen ouders en
leraren V.O. enerzijds, en leraren V.O. en groepsleerkrachten leerjaar 8
anderzijds. Het V.O. beslist uiteindelijk of er van plaatsing van de leerling
sprake zal zijn.
In de eerste jaren
na plaatsing van de leerlingen op een school voor V.O., wordt de school op de hoogte gehouden van de
vorderingen van de oud-leerlingen door het verstrekken van rapportcijfers.
Van terugkoppeling
van eventuele noodzakelijke informatie naar het V.O. kan sprake zijn, daar de
schoolloopbaangegevens van oud-leerlingen (toetsresultaten, rapportgegevens,
adviesformulier V.O. en uitslagen Cito entree- en eindtoets) bewaard worden in
het archief.
(*) Leerlingen die
hun schoolloopbaan voortzetten binnen het leerwegondersteunend onderwijs
(LWOO), nemen in principe niet deel aan de Cito-eindtoets.